Wat is Rebond?

Herverbinden met de ‘ander’

Rebond is een onderzoeks- en adviesbureau van Jan Dirk de Jong. De voornaamste taak van Rebond is het doen van sociaal wetenschappelijk onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht. Wetenschappelijke kennis kan verschillende sociale groeperingen in de samenleving op positieve wijze (opnieuw) met elkaar verbinden. Vandaar dat de naam ‘Rebond‘ is gekozen. Het herverbinden van mensen die (te) weinig weten van elkaars drijfveren en zichzelf niet (meer) in elkaar herkennen als medemens, vormt de doelstelling van Rebond.

De grondslag van het onderzoek van Rebond ligt in kwalitatieve en historisch-vergelijkende sociologie (in Nederland bekend als ‘de Amsterdamse School voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek’). De voornaamste aanname is dat samenlevingsverbanden bestaan uit mensen die met elkaar zijn verbonden in sociale netwerken van onderlinge afhankelijkheden (interdependenties), vaak zonder dat zij zich daarvan voldoende bewust zijn. In deze vorm van sociologie probeert men met behulp van begrippen als ‘figuraties’ (Norbert Elias) of ‘structuraties’ (Anthony Giddens) helder te krijgen hoe mensen op allerlei manieren in en aan elkaar zitten. Hedendaagse samenlevingen bestaan uit mensen van wie de onderlinge afhankelijkheden veel verder reiken dan in vroegere groepsverbanden het geval was. Een steeds verder uitdijend netwerk van samenlevingsverbanden en afhankelijkheidsrelaties omspant tegenwoordig de hele wereld, zowel fysiek als virtueel.

Groepsverbanden (en afhankelijkheidsrelaties) die bijzondere aandacht krijgen binnen het onderzoeksprogramma van Rebond, zijn deviante (afwijkende) groepsverbanden. Een groepsverband wijkt af wanneer het soort gedrag dat binnen deze groep mensen wordt gewaardeerd als ‘gewoon’, ‘gepast’ of ‘conformistisch’, daarbuiten (in de overkoepelende samenleving) geldt als ‘ongewoon’, ‘ongepast’ of zelfs ‘strafbaar’. Daarbij gaat vooral interesse uit naar de groepsdynamische processen waarin groepsdruk ontstaat. Groepsdruk leidt ertoe dat mensen – soms tegen hun zin – gaan handelen conform de (afwijkende) waarden en normen van hun eigen groepsverband. Het deviante gedrag van de ‘ander’ is altijd een sociale constructie. Het gedrag wordt als zodanig bestempeld door mensen en het wordt gereproduceerd in groepsprocessen, die zich zowel afspelen binnen een groep mensen als tussen groepen. Meer te weten komen over de ‘ander’ en zijn groepsverband, creëert ruimte om nader tot elkaar te komen en in te zien hoe men met elkaar is verbonden in een overkoepelend sociaal netwerk. Deze vorm van sociaal-wetenschappelijk ‘herverbinden’ van de deviante groep en de conventionele samenleving, maakt het mogelijk gezamenlijk oplossingen te vinden voor maatschappelijke conflicten.

 

Wetenschappelijke inbedding

Om de onderzoekswerkzaamheden van Rebond theoretisch te verankeren, wordt gewerkt met een multidisciplinair sociaal-wetenschappelijk model. In dat model worden sociologische theorieën gecombineerd met theorieën uit de sociale psychologie en de criminologie (verder aangevuld met inzichten uit de antropologie, pedagogiek en andere gedragswetenschappen). Voorbeelden van sociologen van wie het werk een belangrijke inspiratiebron vormt voor dit model, zijn onder meer bekende Nederlandse sociologen als Abram de Swaan (zijn algemene theorie over de mensenmaatschappij), Johan Goudsblom (zijn theorie over beschaving en beschaming) en Kees Schuyt (zijn theorie over gemeenschappelijke waarden en normen). Tevens sluit het model aan bij diverse buitenlandse sociologen, waaronder Erwin Gofmann (zijn theorie over symbolische interactie), Pierre Bourdieu (zijn theorie over menselijke distinctiedrang), Norbert Elias (zowel zijn civilisatietheorie, als zijn ideeën over gevestigden en buitenstaanders) en Jonathan Turner (zijn theorie over de interactieve behoeften van de mens).

Daarnaast is het theoretisch model gebaseerd op bevindingen uit de sociale psychologie. In het bijzonder theorieën over groepsdynamische processen binnen en tussen groepen sluiten goed aan, zoals bijvoorbeeld de zelf-categorisatietheorie (John Turner) en sociale identificatietheorie (Henri Tajfel & John Turner). Ten slotte zijn in het model ook criminologische theorieën verwerkt, zoals sociale leertheorieën (bewerkingen daarvan door Edwin Sutherland, Ronald Akers & Robert Burgess, en Gresham Sykes & David Matza), theorieën over delinquente subculturen of subculturen van delinquentie (Albert Cohen, Walter Miller, en Richard Cloward & Lloyd Ohlin) en theorieën over relatieve deprivatie (Robert Merton).

Met behulp van theorieën uit deze verschillende wetenschappelijke disciplines is het mogelijk aan te tonen hoe in processen van groepsvorming (in het bijzonder bij deviante groepen) steeds dezelfde sociale wetmatigheden terugkomen. Terugkerende en vergelijkbare patronen van onderlinge afhankelijkheidsrelaties zijn zichtbaar in (ogenschijnlijk) zeer verschillende groepen. In soortgelijke groepsdynamische processen proberen mensen in diverse ‘afwijkende’ groepen hun algemene behoeften te bevredigen en ervaren daarbij groepsdruk om zich aan te passen aan deviante gedragscodes.

Het onderzoek naar algemeen menselijke eigenschappen in bijzondere (deviante) groepsverbanden, bouwt verder voort op de traditie van de bekende Duitse socioloog Max Weber: het gaat niet alleen om het erklären (verklaren) van ‘deviant’ gedrag binnen de afwijkende groepen, maar ook om het verstehen (inlevend begrijpen) daarvan als een vorm van menselijk gedrag. Met behulp van het theoretisch model en gedegen kwalitatieve onderzoeksmethoden (veldwerk), is het mogelijk om het gedrag van de meest uiteenlopende afwijkende groepen beter te verklaren én te begrijpen.

 

“Het zijn net mensen…”

Ieder mens kent dezelfde noodzakelijke bestaansvoorwaarden. Naast fysieke bestaansvoorwaarden die gelden voor alle organismen (zoals temperatuur en zuurstof), delen mensen algemene sociale bestaansvoorwaarden die hen afhankelijk maken van andere mensen (Abram de Swaan). Zo hebben mensen voedsel, beschutting, bescherming, kennis en sturing nodig. Maar de belangrijkste behoefte is wellicht de behoefte aan erkenning, waardering of affectie (liefde). Mensen willen het liefst ‘onvoorwaardelijke waardering’ ervaren (Carl Rogers) en een positief ‘zelfbeeld’ ontwikkelen (Erik Erikson). Mensen blijken geen wezens te zijn die worden voortgedreven door een rationele afweging tussen pijn en plezier of tussen beloning en straf (zoals wel is beweerd in de rationele-keuzetheorie). Mensen ervaren een sterke innerlijke en emotionele drijfveer om zich sociaal te manifesteren en zich hun wereld eigen te maken. Deze algemeen menselijke drang is zeer treffend verwoord door de Cubaanse migrant en ‘gangstericoon’ Tony Montana (Al Pacino) in de remake van de film Scarface (Brian DePalma, 1983):

   Tony Montana: Me, I want what’s coming to me.

Manny: Oh yeah, what’s coming to you?

Tony Montana: The world, chico, and everything in it.

Mensen hebben sterk de neiging iets tot stand te willen brengen en daaraan hun identiteit te ontlenen (waaronder het zelfbeeld). Die identiteit krijgt in eerste instantie zijn vorm in uitingen van waardering door andere mensen in een groepsverband (voor kinderen eerst de ouders of verzorgers, daarna familie, leeftijdsgenoten, vrienden, teamleden, medestudenten, collega’s en vele andersoortige ‘groepsgenoten’). Mensen hebben die vorm van ‘liefde’ nodig en willen zich verbonden voelen met anderen (a sense of belonging). Het liefst willen mensen onvoorwaardelijk worden gewaardeerd voor wie zij zijn. Dit fenomeen staat bekend als zelf-actualisatie (in de piramide van Abraham Maslow). Het treedt echter veel meer op de voorgrond in menselijk handelen, dan doorgaans wordt aangenomen. Het verklaart bijvoorbeeld dat mensen soms liever doodgaan dan afgaan in de ogen van anderen (bijvoorbeeld door zelfmoord te plegen).

Door de drang tot zelf-actualisatie – in het bijzonder: het oogsten van waardering – en andere sociale behoeften, raken mensen gemotiveerd om groepen te vormen met andere mensen. In  groepsverband proberen zij hun noodzakelijke bestaansvoorwaarden te realiseren. Dat doen zij binnen de mogelijkheden en beperkingen van hun fysieke en sociale omgeving (niet iedereen heeft nu eenmaal dezelfde kansen, kennis en vaardigheden). In steeds weer soortgelijke groepsprocessen ontwikkelen mensen structurele en culturele kenmerken van hun groepsverbanden (waaronder ook de gedragsverwachtingen waaraan mensen moeten voldoen om erkend te worden als ‘groepslid’ en waardering te ontvangen). Reacties van buiten op de groep hebben vervolgens ook invloed op dit soort groepsprocessen, wat onder meer kan leiden tot een sterkere motivatie om ‘groepseigen’ gedrag te vertonen (binnen de labelingtheorie ook wel aangeduid met het begrip ‘secundaire deviantie’). Van essentieel belang hierbij is dat de structuur en de cultuur van een groepsverband niet statisch zijn. Het gaat altijd om groepsdynamische processen binnen en tussen groepen, die elkaar voortdurend wederzijds beïnvloeden. Niets heeft een vaste vorm en niets houdt een vaste vorm: alles is in beweging oftewel ‘panta rhei’ (Heraclitus).

Ook in deviante groepsverbanden zien we dezelfde zelf-actualiserende tendens als de meest significante aard van menselijk handelen. De innerlijke en emotionele drijfveer van de groepsleden is dezelfde als in ‘conventionele’ groepsverbanden, alleen is sprake van een andere uitingsvorm (die samenhangt met een specifieke context van mogelijkheden en beperkingen). Afwijkende structurele en culturele kenmerken – waaronder het goedkeuren van gedrag wat in de samenleving wordt afgekeurd – maken de deviante groep weliswaar afwijkend (of zelfs strafbaar), maar niet wezenlijk ‘anders’. De deviante handeling die voortkomt vanuit de groep is maatschappelijk te veroordelen als immoreel. Maar de achterliggende motivatie is te verklaren en te begrijpen als de wijze waarop een mens zichzelf laat gelden binnen een sociale omgeving die er op dat moment het meest toe doet (die van het deviante groepsverband). Of het nu gaat om deviant groepsgedrag van (‘Marokkaanse’) straatjongens, rechts-extremisten, leden van motorclubs, voetbalhooligans, taxichauffeurs, dierenactivisten, corpsballen of beursjongens, om met de schrijver Joris Luyendijk te spreken: “Het zijn net mensen…”

 

Weten is meer dan meten

In een periode van scherpe tegenstellingen tussen bepaalde groeperingen in de samenleving, is het belangrijk een genuanceerd wetenschappelijk tegenwicht te bieden aan versterkte wij-zij verhoudingen. Spanningen tussen ‘gevestigden en buitenstaanders’ (nieuwkomers) zijn van alle tijden (Norbert Elias & John Scotson). Zichzelf trachten te verheffen ten koste van de ‘ander’ is dan ook zeer menselijk, maar daarmee nog niet wenselijk. Onnodige verhevigingen in deze groepsdynamische processen van insluiting en uitsluiting, zijn te ontkrachten met de juiste kennis en ervaring. Daarbij is het zaak niet alleen maatschappelijke problemen cijfermatig te meten en sociale structuren in kaart te brengen binnen de hedendaagse ‘managementcultuur’. Het is van groot belang het (deviante) handelen van de ‘ander’ te verklaren en na te voelen vanuit een universele menselijke aard. Zo leert men elkaar inlevend te begrijpen. Daarvoor is het soort kwalitatief sociaal-wetenschappelijk onderzoek nodig, dat Rebond voor ogen heeft.

De werkzaamheden van Rebond hebben als doel ertoe bij te dragen dat mensen in allerlei uitdagende sociale situaties minder het gevoel krijgen dat zij tegenover elkaar staan in vijandige verhoudingen. Om dat te bereiken moeten mensen zich op indringende wijze bewust worden van het feit dat zij met elkaar zijn verbonden in een groter sociaal netwerk van onderlinge afhankelijkheden. Tevens moet onderzoek van Rebond een heldere boodschap over de menselijke aard uitdragen, waardoor mensen zich gemakkelijker in een ander kunnen verplaatsen en inzien waarom die andere mensen nu eenmaal doen wat ze doen. Wanneer het empathisch vermogen van bestuurders en burgers in onze samenleving toeneemt, kunnen zij op een andere – algemeen menselijke – manier tegen elkaar en hun schijnbare tegenstellingen aankijken. Idealiter wordt het dan mogelijk in de onderlinge ‘stammenstrijd’ om noodzakelijke bestaansvoorwaarden en schaarse bronnen, de overstap te maken van competitie naar compassie.

Op dat ‘hogere’ niveau van samenzijn, komen mensen in hun behoefte aan zelf-actualisatie minder met elkaar in botsing. Zij krijgen een beter begrip van elkaars handelen als mens en herkennen zichzelf in elkaar (en niet alleen binnen hun eigen groep). Mensen behouden uiteraard dezelfde menselijke behoefte om ‘erbij te horen’, maar zij willen en kunnen zich tegenwoordig verenigen met meer dan alleen gezin, familie, vriendenkring, club, dorp, stad, land of geloofsgemeenschap. Vanuit een diepgeworteld besef dat ieder mens dezelfde drijfveer heeft om zich te verenigen met de wereld om hem of haar heen en waardering (liefde) van anderen te voelen, worden mensen op een kosmopolitisch niveau (her)verbonden en kunnen ‘instant communities’ ontstaan met pro-sociale waarden en normen. Dat is de ware betekenis van ‘Rebond’.

 

Zoeklichten

Aangezien Rebond trouw wil blijven aan de wetenschappelijke, sociale en idealistische aspecten van deze doelstellingen, is gezocht naar enkele pakkende uitspraken die als zoeklicht kunnen dienen bij de uitvoering van het werk zonder de ‘bedrijfsmissie’ uit het oog te verziezen. Voor het wetenschappelijke zoeklicht is gekozen voor het Thomas Theorema (William Thomas, 1928): “If men (people) define situations as real they are real in their consequences.” Dit houdt in dat mensen altijd zullen handelen naar de sociale werkelijkheid zoals zij die op dat moment voor ogen hebben. Vervolgens zullen zij die subjectieve werkelijkheid reëel maken met de gevolgen van hun gedrag. Het is dus zaak om met behulp van gedegen kwalitatief onderzoek te achterhalen hoe diverse groepen mensen hun werkelijkheid (individueel of collectief) sociaal vormgeven. Samengenomen vormen die sociale constructies het uitgangspunt om te komen tot meer begrip voor elkaars handelen en het aanpakken van allerlei sociale problemen in de samenleving.

Het sociale zoeklicht is een uitspraak van de ‘private investigator’ Derek Strange die hoofdzakelijk werkzaam is in de zwarte ghetto’s van Washington (een fictief karakter van schrijver George Pelecanos, onder meer bekend als scenarioschrijver van de HBO-serie The Wire): “Never look down upon a man unless you’re gonna pick him up.” Hiermee wordt aangegeven dat onderzoek naar sociale problematiek waarmee het handelen van groepen mensen wordt beschreven en verklaard, tot gevolg kan hebben dat deze mensen (tijdelijk) in een kwaad daglicht worden gesteld. Het overkoepelende doel is echter niet om vanuit een bevoorrechte positie op deze mensen neer te kijken (en ook zeker niet om hun gedrag goed te praten). Het doel is om te komen tot een betere verklaring van problematisch gedrag waardoor probleemgericht kan worden gewerkt vanuit een positieve – algemeen menselijke – insteek: naar oplossingen zoeken in plaats van alleen maar problemen benoemen. Uiteindelijk moeten mensen – uit medeleven en niet uit medelijden – worden geholpen om vooral zichzelf te helpen. Daarbij is het van belang uit te gaan van eigen kracht, gelijkwaardigheid als mens en empathie (in plaats van slachtofferdenken, misleidende ‘gelijkheid’ en elitaire betutteling).

Ten slotte blijft een idealistisch zoeklicht over, vooral van belang voor de integriteit van een onderzoeker en zijn eigen vorm van zelf-actualisatie. Om mensen te inspireren tot het leveren van goede prestatie zonder het ego de overhand te laten krijgen (don’t change your passion for glory), is gekozen voor een gedicht: ‘The Man in the Glass’ van Dale Wimbrow (1934). Wat je ook doet, tot stand probeert te brengen of daadwerkelijk hebt bereikt, de waardering van anderen zal nooit je redding zijn. De liefde van een ander kan nooit geheel jouw leegte vullen, want de ‘man in the mirror‘ (Michael Jackson) kun je geen rad voor de ogen draaien. Blijf dus vooral trouw aan jezelf, de positieve waarden en normen die je in je leven hebt meegekregen (van liefdevolle en betrokken volwassenen, vanuit een geloofsovertuiging of vanuit je hart), en wees zo goed mogelijk voor je medemens zonder daarvoor iets terug te verlangen, en in het bijzonder voor de kinderen (Oscar Brown Jr.).

 

The Man in the Glass

When you get what you want in your struggle for self

And the world makes you king for a day,

Just go to a mirror and look at yourself,

And see what that man has to say.

For it isn’t your father or mother or wife,

Who judgment upon you must pass;

The fellow whose verdict counts most in your life

Is the one starring back from the glass.

He’s the fellow to please, never mind all the rest.

For he’s with you clear up to the end,

And you’ve passed the most dangerous, difficult test

If the man in the glass is your friend.

You may be like Jack Horner and “chisel” a plum,

And think you’re a wonderful guy,

But the man in the glass says you’re only a bum

If you can’t look him straight in the eye.

You may fool the whole world down the pathway of years.

And get pats on the back as you pass,

But your final reward will be the heartaches and tears

If you’ve cheated the man in the glass.

Dale Wimbrow (c) 1934

1895-1954